Animal feeding stuffs: Methods of sampling and analysis - Detection of tylosin, spiramycin and virginiamycin - Thin Layer Chromatography and bioautography
De methode maakt het mogelijk om spiramycine, tylosine en virginiamycine te detecteren en te identificeren in diervoeders (voedergrondstoffen van voornamelijk plantaardige oorsprong en mengvoeders) exclusief minerale voeders en voormengsels. De detectiegrens is ongeveer 2 mg/ kg voor spiramycine, 1 mg/ kg voor tylosine en 1 mg/ kg voor virginiamycine. In sommige melkvervangers kan het voor virginiamycine iets hoger zijn dan 1 mg/ kg.De gerapporteerde detectiegrenzen zijn waarschijnlijk weinig overschat, maar werden tijdens het ringonderzoek volledig gevalideerd (zie bijlage B). In elk laboratorium worden elke analysedag verrijkte blanco monsters van 1 mg/ kg voor spiramycine en virginiamycine en van 0,5 mg/ kg voor tylosine geanalyseerd om de onderste detectiegrenzen te controleren (zie 9.2 en 9.3). Deze lagere detectielimieten zijn haalbaar, maar moeten eerst worden vastgesteld met een interne validatie.Sommige andere antibiotica kunnen de detectie van deze 3 specifieke macrolide-antibiotica verstoren. De bekende storingen zijn gespecificeerd in Bijlage A van de methode.Die methode dient gebruikt te worden als kwalitatieve screening en/ of post-screeningmethode (na bijvoorbeeld microbiologisch plaatonderzoek). De opvolging van de aanwezigheid van antibiotica kan gebeuren door andere analytische technieken (LC en/ of LC-MS technieken) ([4], [10]). Voor bevestigingsdoeleinden is LCMS vereist.
Bekijk in